Korte serie nav. Heere’s biografie
In de jaren zeventig schreef mijn vader Rudy Cornets de Groot een serie artikelen over plagiaat onder de titel Met andermans veer. Zijn zwager Heere Heeresma, ooit een gevraagd copywriter die destijds naast ons aan de Oude Singel in Leiden woonde (hij op nr. 14, wij op 16) gunde hem net zulke ‘sellers’ als hij zelf schreef, en raadde hem een pakkender titel aan, ‘Een gejatte fiets is óók een fiets’.
Cornets de Groot sloeg zijn advies in de wind; hij koos het fraaie Ladders in de leegte, een titel waarin het idee doorklinkt van teksten die niet aan een auteur maar aan een zee van andere teksten gebonden zijn – in de Nederlandse letteren van toen absoluut revolutionair, want vergelijkbare ideeën van Barthes en Derrida waren hier nog niet doorgedrongen. 1
Met die titel van Heeresma is het dus niet veel geworden, maar een glimp ervan is terug te zien op het omslag van een andere essaybundel, De kunst van het falen, in een tekening van Jack Prince voor de toen net opgerichte Haagse uitgeverij Bzztôh. Een klein Indisch mannetje, een plichtsgetrouw ambtenaartje zo te zien, met nogal pontificaal een fiets aan de hand. Titel en tekening staan in geen enkel verband tot elkaar; wie het verhaal erachter niet kent, begrijpt er niets van.
Wat het wel aangeeft, is hoeveel gewicht het woord van Heeresma had in uitgeversland. En niet alleen daar, maar overal waar hij kwam. Het was niet gebaseerd op gezag, maar op overtuigingskracht, retorisch talent en fysiek overwicht. Geen gezag, maar ontzag.
Dit schrijft Cornets de Groot in datzelfde De kunst van het falen over Hein Donner, maar het had net zo goed over Heeresma (‘Her’) kunnen gaan. Alleen: die was getrouwd met zijn zus Loekie, of (tante) Loes zoals wij haar kenden. En dat betekende dat wij in een heilige kring waren opgenomen: zijn familie. ‘Heere is familieziek, én godsdienstwaanzinnig’, zo wordt Cornets de Groot in Een gat in het hoofd, Anton de Goede’s biografie van Heeresma, geciteerd (p. 311). Het lijkt een adequate typering.

Ik heb Een gat in het hoofd gelezen gelezen alsof het een postmodern boek is, kriskras door elkaar, van de ene Cornets de Groot-vermelding naar de andere, en vervolgens van de ene periode naar de andere: van de tijd dat het gezin Heeresma in een grote flat aan de Steenvoordelaan in Rijswijk twee etages onder mijn Indische grootouders woonde, tot de periode in Leiden, waar ik in de jaren ’77 en ’78 bij mijn vader en zijn tweede gezin mijn puberteitsjaren doorbracht, en ik met Heere jr optrok, mijn anderhalf jaar oudere buurjongen. Maar ook de jaren daarvoor staan me bij, in de Bijlmermeer bijv. toen Heeresma aan een ‘geheimzinnige ziekte’ (p. 187) leed, aan geelzucht namelijk zoals ik me nog goed herinner… En nog voor ik over zijn jeugdjaren las, was ik al bij de drie slothoofdstukken, waarvan de titels alleen al genoeg drama beloven: ‘De kar tot de rand met knekels gevuld’, ‘Verlaten door Loekie en op zee het licht zien’, en ‘Verlaten door Junior en reiken naar het wit’…
Dat krijg je als je naastbetrokkene bent, met een vader die door De Goede ‘misschien wel de belangrijkste relatie in Heeresma’s leven’ (p. 133) wordt genoemd, en over wie via zijn tweede vrouw Leonarda allerlei anekdotes in het boek terecht zijn gekomen die ik niet kende, of was vergeten. Sowieso was het bijzonder om via deze oral history herinneringen aan mijn vader op te halen, in plaats van via uitspraken uit zijn boeken.
Zo vertelt ze dat het gezin Heeresma op haar voorstel naast ons kwam wonen, toen de ruimte daar te huur bleek te staan, en dat mijn vader niet direct blij was met dat initiatief (p. 227). Die massieve persoonlijkheid, pal naast je… In De kunst van het falen vertelt hij:
En deze Heere kwam naast ons wonen, drong zich aan ons op zoals Manuel zich in De verloedering van de Swieps aan het gezin Swiep opdringt. Mijn vader was gewaarschuwd, want:
Niet dat hij Heere, die hij sinds midden jaren vijftig kende en die getrouwd was met zijn zus, zou verwarren met zijn werk, integendeel. Hij wist dat Heere in deze afgrond gekeken had, en er zijn voordeel mee had gedaan.
- Zie Ladders in de leegte, met op p. 1-158 de artikelen uit de reeks Met andermans veer. ↩
- De kunst van het falen, p. 69. ↩
- De kunst van het falen, p. 95. ↩
- De kunst van het falen, p. 89. ↩
- Leegheid als voer, Soma nr. 10-11, okt-nov 1970, p. 55 ↩







